Geschiedenis


De Tibetaanse Spaniel, ook wel genoemd klooster- of gebedshond, omdat zij in kloosters in Tibet leefden, waar zij op de muren lagen en bezoekers op deze manier al van verre zagen aankomen. Zij waarschuwden dan door luid en helder te blaffen en de grote Tibetaanse honden (Mastiff en Terriers) die beneden liepen namen het waken daarna van hen over. De Tibetaanse Spaniel kan ook nu nog hoog springen en ligt graag op een hoge plek met goed uitzicht.

Behalve waken hadden de honden nog een taak, zij lagen onder de monnikskovel, waardoor zij als een soort kruik fungeerden.

Een minder historisch verantwoord verhaal is dat de hondjes getraind werden om aangelijnd met hun voorbenen de gebedsmolentjes te  laten draaien.

De hondjes waren de lievelingetjes in oosterse paleizen, waar zij terechtkwamen doordat zij gebruikt werden door Tibet om een deel van de belastingen aan de keizers van China in Peking te betalen. Ook werden zij als geschenk gegeven aan geestelijk leiders van Boedhistische landen. Tot in onze eeuw was het gebruikelijk dat de Dalai Lama als geschenk een Tibetaanse Spaniel in zijn bagage meevoerde wanneer hij een beleefdheidsbezoek bracht aan een geestelijk of wereldlijk leider van een van de buurstaten. Hierdoor is ook via de Europese diplomaten de Tibetaanse Spaniel voor het eerste keer Europa (Engeland) gekomen.

Hoe oud het ras precies is weten we niet, maar archeologen menen dat zij op vondsten zijn gestuit die de veronderstelling ondersteunen dat de Tibetaanse Spaniel al lang voor de 7e eeuw na Christus in primitieve vorm in Tibet voorkwam. De eerste schriftelijke bronnen waarin naar de honden wordt verwezen stammen uit de achtste eeuw. Dan wordt geschreven over het bestaan van uit Tibet afkomstige spanieltjes in het Koninkrijk Silla op het Koreaanse schiereiland. De Chinees-Tibetaanse bevolking van dit koninkrijk luisterde naar de naam Tchin-Tchin, een naam die later ook aan de Japanse spaniel is gegeven. Er gesproken over het schenken van de Tibetaanse Spaniel aan de keizer van Japan, vandaar dat ze mogelijk de voorouders zijn van de Japanse spaniel.

Kijken we echter naar Chinese afbeeldingen van honden uit de tijd van de Sjang Dynastie (1450-1050 v. Chr.), dan zien we ook dat deze veel op de Tibetaanse Spaniel lijken. Hetgeen erop kan wijzen dat dit de oorspronkelijke vorm van de pekingees is. De hondjes hebben echter een langere snuit, rechtere poten en een kortere beharing, terwijl zij tevens wat lang van lichaam zijn. Wie voor het eerst een Tibetaanse Spaniel ziet kan geneigd zijn te denken met een mislukte pekingees te maken te hebben. (In de jaren dertig werd ook in Hutchinsons Dog Encyclopedia de standaard omschreven als: ontaarde pekingees, waarna de verdere raskenmerken volgden).

Eind 1980 en begin 1900 zijn er een aantal Tibetaanse Spaniels geïmporteerd vanuit Tibet naar Engeland. Waar dit nu een zeer gewaardeerd ras is (evenals in de Scandinavische landen).  

In Nederland werd in 1969 de eerste Tibetaansel Spaniel geïmporteerd door dhr. Post, dit was een sable reu. In 1970 importeerde mevr. v.d. Boom een drachtig black and tan teefje. Beide kwamen uit Engeland en zo werd de basis gelegd voor het fokken van Tibetaanse Spaniels in Nederland, waar zij tot nu toe niet zo bekend zijn als in de Scandinavische landen en Engeland.

De naam ‘spaniel’ is eigenlijk onjuist, het zijn geen jachthonden zoals b.v. de Engelse cockerspaniel, maar de Engelsen zochten een parallel met bestaande hondenrassen, toen zij dit ras erkend wilden krijgen. In Engeland worden met ‘spaniel’ kleine langharige hondjes aangeduid. De Tibetanen zelf noemen de Tibetaanse Spaniel Jemptse Apso, ofwel geschoren apso. Je zou dan ook geneigd zijn te denken dat de Tibetaanse Spaniel verwant is aan de Lhasa Apso, temeer, omdat er in de nesten van de Lhasa Apso's zo nu en dan pups geboren worden met een kortere vacht, die men als terugslag op de Tibetaanse Spaniel zou kunnen beschouwen.